De tuin die we nu kennen als de Hortus opende in 1638 als Hortus medicus: een geneeskruidentuin ten dienste van de stad Amsterdam. In 1682 besloot het stadsbestuur de tuin te verplaatsen naar de huidige locatie in de Plantage. De nieuwe directeuren, Joan Huydecoper en Jan Commelin, speelden een belangrijke rol bij deze verhuizing. Huydecoper (destijds ook burgemeester) en Commelin onderhielden nauwe banden met de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Daarmee was de tuin direct verbonden met de Nederlandse overzeese expansie.
door Nicolas Catuogno
Botanische banden
Deze contacten reikten veel verder dan de stadsgrenzen. Simon van der Stel, de eerste gouverneur van de Kaapkolonie en een neef van Huydecoper, stuurde zaden en jonge planten vanuit zuidelijk Afrika naar Amsterdam. Mede dankzij deze uitwisselingen bouwde de Hortus in de loop der tijd een van de omvangrijkste collecties Zuid-Afrikaanse flora buiten Zuid-Afrika op. Ook latere koloniale bestuurders, onder wie Ryk Tulbagh, zetten deze uitwisseling van planten voort en versterkten zo de botanische banden tussen de Kaap en Amsterdam.
Na de verhuizing werd de Hortus geregeld omschreven als ‘het laboratorium van de VOC’. Dankzij koloniale expedities en handelsroutes kwamen planten uit Azië, Afrika en Amerika in de tuin terecht. In Amsterdam onderzochten botanici deze planten en beschreven, benoemden en classificeerden ze de soorten. Johannes en Nicolaas Burman, Carl Linnaeus en Carl Peter Thunberg werkten allemaal met levend plantenmateriaal uit de Hortus. De tuin maakte bovendien deel uit van een breder botanisch netwerk binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo waren er verbindingen met andere instellingen en met figuren als Rumphius in Oost-Indië. Daarbij bouwde de Hortus voort op eerdere botanische tradities, die mede waren gevormd door Carolus Clusius.
Moninckx Atlas
De botanici van de Hortus beperkten zich niet tot het benoemen van planten. Ze onderzochten ook hun geneeskrachtige eigenschappen, in lijn met de oorspronkelijke functie van de tuin als Hortus Medicus, en experimenteerden met de teelt ervan. De tuin fungeerde als tussenstation voor de verplaatsing van planten tussen de koloniën en Europa. Met dit werk droeg de Hortus actief bij aan de economische botanie en de koloniale plantkunde. Dat gebeurde niet alleen via de netwerken van de VOC in Oost-Indië, maar ook via de West-Indische Compagnie (WIC), die actief was in Atlantische koloniën zoals Suriname.
Ook buiten Nederland bleef deze rol niet onopgemerkt. In 1725 wees de Engelse botanicus Richard Bradley expliciet op de botanische tuin in Amsterdam. Hij pleitte ervoor dat Engeland een vergelijkbare instelling zou oprichten om de koloniale landbouw en handel te ondersteunen. Tegen het einde van de achttiende eeuw kreeg dit streven vorm in de Royal Botanic Gardens in Kew, die zich mede ontwikkelde op basis van voorbeelden en werkwijzen die eerder in Amsterdam waren ontstaan.
De Hortus legde levende planten ook vast in beeld. De Moninckx Atlas documenteerde veel soorten die in de tuin werden gekweekt en zette ze om in visuele kennis die ook buiten de tuin kon worden verspreid. Daarmee versterkte de atlas de positie van Amsterdam als centrum van botanische kennis.
Mondiale structuren
Tegelijkertijd is het belangrijk om onderscheid te blijven maken tussen verschillende vormen van betrokkenheid. Mensen die in de Hortus werkten pleegden niet zélf rechtstreeks gewelddaden, zoals de genocide op de Banda-eilanden. Ook bestuurden zij geen plantages en voerden zij geen koloniale oorlogen. Toch maakte de tuin wél deel uit van dezelfde mondiale structuren die deze gebeurtenissen mogelijk maakten. Door planten met economische waarde te onderzoeken, te kweken en te verspreiden, droeg de Hortus bij aan systemen van exploitatie en controle die aan de koloniale expansie ten grondslag lagen.
Veel van deze geschiedenis ligt nog altijd besloten in de planten zelf. Koffie, kinaboom, oliepalm en rubberboom kwamen op cruciale momenten in hun geschiedenis via de Hortus en gingen vervolgens een belangrijke rol spelen in koloniale economieën over de hele wereld. Sommige van deze planten, en vele andere, groeien nog altijd ogenschijnlijk onopvallend in de tuin. Maar hun wortels reiken tot ver buiten Amsterdam, naar handelsroutes en geschiedenissen van arbeid en machtsverhoudingen. Wat verandert er wanneer we een botanische tuin niet alleen bekijken als een plek van schoonheid, maar ook als een archief van koloniale geschiedenis…?
Nicolas Catuogno liep een maand stage in de Hortus en schreef deze serie artikelen over planten, koloniale geschiedenis en dekolonisatie. Daarnaast legde hij de basis voor een speciale themarondleiding over de koloniale geschiedenis van de Hortus. We kunnen ons voorstellen dat deze reeks vragen bij je oproept. Stuur ons gerust een mail: [email protected]. We gaan graag met je in gesprek.
