Het dampende kopje koffie waar jij elke ochtend van geniet is waarschijnlijk gemaakt van bonen uit Brazilië. Of toch Vietnam? Of Indonesië, Colombia… Of misschien uit Peru of Guatemala? Koffie lijkt overal vandaan te kunnen komen. Waar je koffie ook vandaan komt, de bonen zijn hoogstwaarschijnlijk van een en dezelfde soort: Coffea arabica. Deze koffiesoort komt oorspronkelijk uit de hooglanden van Ethiopië. Terwijl er ruim 130 soorten koffieplanten bestaan, is er één plantensoort die bijna de hele wereld dagelijks van kopjes koffie voorziet. Wat betekent dit?
door Barbara van AmelsfortVerschillende smaken koffie
Coffea is een geslacht in de sterbladigenfamilie (Rubiaceae). Planten van deze familie komen over de hele wereld voor, ook in Nederland. Zo zijn kleefkruid (Galium aparine) en lievevrouwbedstro (Galium odoratum) familie van de koffie. En bijvoorbeeld ook de tropische kinaboom (Cinchona officinalis), waaruit vroeger kinine werd gewonnen als basis voor een medicijn tegen malaria.
Coffea-soorten zijn struiken of kleine bomen die van nature voorkomen in tropisch en subtropisch Afrika, Azië en Noord-Oost Oceanië. Er zijn geen oorspronkelijke (inheemse) koffiesoorten in Zuid-Amerika. Het zijn typische schaduwplanten die het liefst groeien in de buurt van grotere bomen. Koffieplanten hebben specifieke omstandigheden nodig. Het verschilt per koffiesoort, maar ideaal voor de Coffea arabica zijn temperaturen tussen 17 en 23 °C en voldoende regenval.
Er zijn momenteel 133 botanische soorten in het geslacht Coffea beschreven. Zestig daarvan komen uit Madagaskar. Daarnaast komt een grote groep van nature voor in tropisch Afrika, met name in Ethiopië. Een kleinere groep komt uit tropisch Zuidoost-Azië.
De wereldwijde koffiehandel is gebaseerd op slechts twee soorten: Coffea arabica (ook simpelweg Arabica genoemd) vertegenwoordigt ruim 70% van de wereldwijde koffieproductie, en Coffea canephora (bekend als Robusta koffie) neemt ongeveer 30% voor zijn rekening. Robusta komt van oorsprong uit de tropische laaglandbossen van Centraal- en West-Afrika. Vandaag de dag wordt de soort voornamelijk verbouwd in Vietnam, Brazilië, Indonesië, India en Oeganda. Een derde soort Coffea liberica, van oorsprong uit Liberia en Congo, maakte zijn opmars in het eind van de 19e eeuw. De plant bleek beter resistent tegen koffieroest, een infectieziekte, dan?. Momenteel staat de soort voor minder dan 2% van de wereldproductie en wordt deze vooral verbouwd in Maleisië en de Filippijnen. De botanische naam Coffea arabica werd gegeven en officieel vastgelegddoor Carl Linnaeus (1707-1778) in zijn Species plantarum in 1753. De soort was echter al eerder beschreven en afgebeeld door Antoine de Jussieu (1748-1836), een Franse botanicus. Hij bestudeerde in 1714 de koffieplant die vanuit de Hortus Amsterdam was gegeven aan de Franse koning Lodewijk XIV (1638-1715). De Hortus ontving enkele jaren daarvoor de allereerste koffieplanten op Europese bodem. De Jussieu noemde de plant Jasminum arabicum, naar de zoete Jasmijnachtige geur van de witte bloemen aan de plant.
Voordat je koffie kunt produceren van de plant moet je even geduld hebben. Coffea arabica heeft vijf tot zes jaar nodig om volledig tot wasdom te komen. De plant eist ideale temperaturen en groeit het best bij een regelmatige tropische neerslag. De Arabica soort houdt ook nog eens van hoogtes, bij voorkeur een hoogte tussen 1.200 en 1.500 meter, waar het net iets koeler is dan op lager niveau in de tropische bossen. Na zo’n 5 jaar produceert de plant kleine, witte en sterk geurende bloemen. Coffea arabica is zelfbestuivend: het stuifmeel kan overgebracht worden naar de stempel van dezelfde bloem. Coffea canephora (Robusta) kan zichzelf niet bestuiven en is dus sterk afhankelijk van bijen en wind voor de bestuiving. Na bestuiving ontstaan de vruchten, de koffiebessen. Deze zijn eerst groen en kleuren daarna rood. Elke vrucht bevat twee zaden, de koffiebonen. Dit maakt de koffiebes een steenvrucht, zoals een pruim of kers, en geen peulvrucht. Doordat de zaden bij het rijpen tegen elkaar aandrukken, ontstaat de karakteristieke vorm.
Koffievelden vol
De koffiebes is prima eetbaar en zelfs een beetje zoetig. De bittere smaak van koffie komt door de cafeïne in de plant. Koffie wordt gemaakt van de gedroogde en geroosterde bonen van de koffieplant. De koffiebonen zijn rauw ook te eten, maar te taai om door te bijten. Cafeïne is een alkaloïde, een stof die de plant maakt als verdediging tegen insecten. Er zijn ook vele andere planten die in meer of mindere mate cafeïne produceren, zoals thee. Het voorkomt dat de vruchten of zaden worden opgegeten. Ook beschermt een beetje cafeïne de zaailingen tegen de eerste insectenvraat. Mensen, en vaak ook andere zoogdieren, zijn niet ongevoelig voor cafeïne. Ons lichaam reageert op een kopje koffie, maar is vervolgens ook in staat om de stof af te breken.
Dagelijks drinken we wereldwijd zo’n 3 miljard kopjes koffie (!). Na olie is koffie het meest verhandelde product ter wereld. Om in deze grote behoefte te voorzien is een enorme hoeveelheid bonen nodig. Snel, efficiënt en massaal gekweekt. Koffie wordt dan ook op grote schaal op plantages gekweekt: lange rijen koffieplanten in een open veld.
De koffieproductie is in de laatste dertig jaar met 60% gegroeid, waarmee het een enorme impact heeft op het milieu en de biodiversiteit in de productielanden. Koffieplantages veroorzaken aanzienlijke ecologische en ook sociale schade. Er is nog steeds sprake van moderne slavernij en andere ernstige vormen van uitbuiting op koffieplantages. De grootschalige en intensieve monocultuur van koffie is allesbehalve toekomstbestendig.
De koffieplant groeit van nature in de schaduwrijke struiklaag van een omgeving vol andere bomen, struiken en planten. In een gezond en rijk ecosysteem hebben planten minder last van ziekten en ongedierte, terwijl ze ook gezonder en sterker zijn. Ontbossing en zonovergoten plantages maken de koffie bloot en kwetsbaar. Door de monocultuur op plantages, kunnen ziektes zich snel verspreiden over de duizenden planten die bij elkaar staan. Bovendien zijn plantageplanten vaak zwak, omdat ze allemaal gekloond zijn. Waar andere planten als afleiding, buffer of als medestrijder golden in het gevecht tegen ongedierte of plantenziektes, staat de koffieplant er nu alleen voor.
Intensieve productie op de plantages put ook de grond uit. Om planten ‘voeding’ te blijven geven en vooral de productie hoog te houden, worden er bestrijdingsmiddelen en kunstmest ingezet. De impact hiervan op ecologische systemen en de vervuiling van het grondwater is desastreus.
De toekomst van koffie
Koffie wordt voornamelijk geteeld in de zogenaamde Koffiegordel – dit is het gebied dat om de aarde loopt tussen de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring. Hierbinnen worden de meeste koffieplanten voor de wereldproductie van koffie verbouwd, onder de ideale temperaturen en met de juiste tropische regenval. Klimaatsverandering maakt dat het binnen deze tropische gordel steeds warmer en vooral droger wordt.
Koffieplanten, en met name Coffea arabica, ondervinden schade wanneer temperaturen boven de 30 °C komen. Metingen van Climate Central – red.) laten zien dat in de laatste vijf jaar het aantal dagen per jaar met temperaturen boven die dertig graden steeds meer worden. Klimaatverandering verergert ook de schade door ongedierte: de koffieboorder (Hypothenemus hampei) gedijt heel goed in warmere temperaturen. Dit is een van de meest schadelijke insectenplagen in de koffieteelt wereldwijd. Het kleine kevertje boort diep in de koffiebes om daar eitjes te leggen, wat de koffiebonen onbruikbaar maakt. Het gevolg laat zich raden: ook hierdoor zal het gebruik van pesticiden alleen maar toenemen.
Kunnen we nooit meer koffiedrinken? Uiteraard wel. Met iets meer waardering voor de wereld achter ons kopje koffie komen we al een heel eind. Er bestaan alternatieven voor meer milieubewuste, sociale en duurzame koffieproductie. Een daarvan is agrobosbouw. Daarbij groeien verschillende gewassen en bomen samen op hetzelfde stuk land. Met deze methode kan de koffieplant weer worden hoe hij was voordat hij als monocultuur werd geteeld. Zoals het koffieplantje comfortabel omringd en beschermd werd door bomen in het oude Ethiopië. Een schaduwplantage wordt het ook wel genoemd, een hoopvolle manier om biodiversiteit en milieuomstandigheden te verbeteren. Onderzoek van het Copernicus Institute of Sustainable Development wijst uit dat na het omschakelen naar een schaduwplantage, al binnen enkele jaren het aantal vlinders en hun diversiteit toenemen.
Een volledig ideaal alternatief is het (nog) niet: het vraagt ook wat van de producenten, en wellicht van de consumenten. Door het weghalen van de efficiënte monocultuur wordt de productie per koffieplant minder. De schaduw zorgt er wel voor dat de kwaliteit van de koffie toeneemt. Tegelijkertijd is het ook cruciaal met welke planten de koffie wordt gecombineerd. De strijd om (grond)water is hierin heel belangrijk. Door zorgvuldiger beheer en wellicht minder productie zal de koffieprijs stijgen, maar daarvoor krijgt men een betere kwaliteit koffie. Voor wie zich tijdens het drinken bewust is van de achtergrond van het kopje koffie, zal het de luxe zeker waard zijn.
Dit artikel is geschreven voor de catalogus van de tentoonstelling Koffie? Een Nederlandse geschiedenis in keramiek die van 10 oktober 2026 t/m 29 augustus 2027 te zien is in het Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden.
Bronnen artikel en meer informatie
Kras, J. (Scientias, 2023) Koffieproductie maakt steeds meer mensen ziek: dit is de reden.
Ubags, W. (NRC, 2025) Hitte bedreigt koffieplantages. Deze bioboeren vonden een creatieve oplossing.
Wilde-Ramsing, J. (SOMO, 2024) Bitter brew Modern slavery in the coffee industry.
