In de wereld van planten bestaan er enkele bijzondere afstammingslijnen die al miljoenen jaren overleven, ondanks drastische klimaatveranderingen en concurrentie van nieuwere soorten. Dit soort planten worden beschreven als ‘relicten’ of ‘levende fossielen’, omdat ze nauw verwant zijn aan soorten die al in prehistorische tijden groeiden. Welke planten zijn dit? En wat weten we van de geschiedenis van hun uitgestorven voorouders?
- door Laura KoopmansKoning van de woestijn
In de Namibwoestijn van Angola en Namibië groeit een plant die eruitziet alsof hij uit een andere wereld komt: de tweeblaarkanniedood of Welwitschia mirabilis. Deze plant, die slechts twee bladeren produceert gedurende zijn hele leven, kan duizenden jaren oud worden en is de enige overlevende soort binnen zijn familie. Ondanks de extreme droogte overleeft de Welwitschia voornamelijk op regenwater, aangevuld met vocht opgevangen uit mist. De mist condenseert op de lange bladeren en druppelt naar beneden, waar het door een breed netwerk van fijne wortels kan worden opgenomen. De plant ontwikkelt ook een penwortel, maar met een grondwaterpeil op 57-75 meter is dit water net buiten bereik van de plant. De soort behoort tot de naaktzadigen, net als coniferen en de Ginkgo, en is een overblijfsel uit het Mesozoïcum – toen dinosauriërs de aarde bevolkten.
Botanische buitenstaanders
De ginkgoboom (Ginkgo biloba) is de enige overlevende van een oeroude groep bomen die 270 miljoen jaar geleden ontstond. Fossielen tonen aan dat zijn verwanten ooit wereldwijd verspreid waren, maar tegenwoordig komt de soort in het wild alleen nog voor in enkele Chinese bossen (alle Japanse exemplaren zijn aangeplant). Met zijn waaiervormige bladeren en unieke zaadstructuur is de ginkgo een botanische buitenstaander. Hij heeft een opmerkelijke weerstand tegen ziekten, luchtvervuiling en zelfs nucleaire straling, wat hem een symbool maakt van veerkracht en duurzaamheid. De ginkgo is tweehuizig, wat betekent dat er mannelijke en vrouwelijke planten zijn. Dit verschil is voornamelijk in het najaar duidelijk, dan vallen de vruchten van de vrouwelijke bomen. Als deze beginnen te rotten komt boterzuur vrij, wat naar ranzige boter ruikt. Om onaangename luchtjes te voorkomen worden er over het algemeen meer mannelijke dan vrouwelijke ginkgo’s aangeplant.
Tot 1994 werd gedacht dat de Wollemi-pijnboom (Wollemia nobilis) al miljoenen jaren was uitgestorven. Tot een Australische boswachter een kleine populatie ontdekte in een afgelegen kloof in de Australische Blue Mountains. DNA-onderzoek toonde aan dat het stuifmeel van de boom vrijwel identiek is aan het stuifmeel van een groep coniferen (geslacht Dillwynites) die uit het late krijt komt. Vandaag de dag wordt de soort intensief beschermd, en door middel van kweekprogramma’s proberen botanische tuinen wereldwijd zijn overleving te garanderen.
Erfgoed in de Hortus
Deze drie oerplanten zijn de enige soorten binnen hun families die het al deze tijd overleeft hebben. Vroegere ginkgo-achtige bomen zoals in de families Karkeniaceae, Umaltolepidaceae en Yimaiaceae zijn niet meer terug te vinden in moderne ecosystemen. De planten floreerden in het Mesozoïcum maar stierven uiteindelijk uit, waarschijnlijk door veranderingen in klimaat en competitie met bloemplanten. De Ginkgo biloba heeft het waarschijnlijk wel overleefd omdat in landen zoals China en Japan de zaden werden gegeten en ze daarom gekweekt werden. In de lijn van Welwitschia bestonden mogelijk meerdere soorten die de tijd niet hebben mogen doorstaan. Fossiele vondsten suggereren dat verwante planten uit de groep van de Gnetophyta ooit een grotere diversiteit hadden dan vandaag. Sommige fossielen, zoals die van Drewria potomacensis, een vroege vertegenwoordiger van deze groep, tonen aan dat deze planten in het Krijt nog een bredere verspreiding hadden. De overblijfselen van deze uitgestorven groepen helpen wetenschappers om klimaatveranderingen en de evolutie van planten beter te begrijpen. Door fossielen te bestuderen, kunnen onderzoekers bijvoorbeeld reconstrueren hoe planten zich hebben aangepast aan veranderende temperaturen en CO₂-concentraties in de atmosfeer.
De overleving van deze planten laat zien hoe sommige soorten zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden of het geluk hebben te kunnen overleven in een stukje onaangetaste leefomgeving. In botanische tuinen zoals de Hortus Botanicus Amsterdam worden deze levende fossielen gekoesterd en bestudeerd. Ze herinneren ons eraan hoe kwetsbaar en waardevol biodiversiteit is – en hoe belangrijk het is om deze unieke overlevers te beschermen voor toekomstige generaties. Kom je deze levende fossielen eens bekijken? In de Hortus vind je onder andere de ginkgo, de Wollemi-pijnboom én de tweeblaarkanniedood.
