Plantkundige pionier: Hugo de Vries - Hortus Botanicus Amsterdam

Overslaan en naar inhoud gaan

Plantkundige pionier: Hugo de Vries

In de bloemrijke paden van de Hortus Botanicus Amsterdam klinkt nog altijd de echo van een van haar beroemdste wetenschappers: Hugo de Vries (1848–1935). Deze invloedrijke botanicus en genetica-pionier deed namelijk enkele van zijn belangrijkste ontdekkingen in de Hortus. Zijn naam leeft voort in de geschiedenis van de evolutietheorie, de erfelijkheidsleer én de Hortus zelf, waar hij jarenlang onderzoek deed naar planten, met name Oenothera, ofwel teunisbloem.

- door Laura Koopmans

Van student tot hoogleraar

Hugo de Vries werd in 1848 geboren in Haarlem. Al vroeg raakte hij gefascineerd door de werking van erfelijkheid en variatie in planten. Hij begon zijn studie biologie in 1866 aan de universiteit van Leiden, waar hij in 1870 promoveerde met een onderzoek over de invloed van temperatuur op planten. In zijn proefschrift nam hij ook twee darwinistische stellingen, wat in die tijd nog aardig controversieel was.  In 1877 werd hij benoemd tot lector in de experimentele plantenfysiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daarmee kreeg hij ook het gebruik van onder andere de overtuin van de Hortus Botanicus toegewezen, gevestigd op een relatief klein terrein aan de Plantage Middenlaan.

De Hortus bood De Vries een levende laboratoriumomgeving waar hij zijn experimentele werkwijze kon toepassen. In een tijd waarin plantkunde vaak nog beschrijvend en classificerend was, koos De Vries voor een vernieuwende aanpak: experimenteren, kruisen, observeren en systematisch data verzamelen. Hij was meer geïnteresseerd in wat er ín de plant gebeurde en stond daarmee stond hij aan de wieg van de moderne genetica, nog voordat de term bestond.

De Hortus als proeftuin voor genetica

Vanaf de jaren 1880 gebruikte De Vries de Hortus intensief voor zijn onderzoek naar erfelijkheid. Een van zijn belangrijkste modellen was de Oenothera lamarckiana (later bleek dat dit eigenlijk Oenothera glazioviana was), een teunisbloem die hij zorgvuldig kruiste, observeerde en analyseerde. In de kassen en tuinbedden van de Hortus ontdekte hij iets opmerkelijks: sommige nakomelingen weken opvallend veel af van hun ouders, zonder geleidelijke overgang. Hij noemde deze abrupte veranderingen “mutaties”.

Deze mutatietheorie was revolutionair. Terwijl de meeste biologen Darwin’s idee van langzame, geleidelijke evolutie aanhingen, stelde De Vries dat nieuwe soorten kunnen ontstaan door plotselinge genetische sprongen. Zijn ideeën vonden aanvankelijk veel weerklank, met name in de Verenigde Staten, waar hij als een van de grondleggers van de moderne evolutietheorie werd geprezen. Later bleek dat wat De Vries observeerde niet altijd klassieke mutaties waren, maar soms de gevolgen van complexere genetische mechanismen. Dit maakt de ontdekking echter niet minder belangrijk. 

De Vries als leraar en bouwer

Als hoogleraar leidde De Vries talloze studenten op, onder wie Jac. P. Thijsse, later bekend van de natuureducatie in Nederland. Zijn colleges en excursies in en rond de Hortus stonden bekend om hun bevlogenheid. Tegelijkertijd speelde hij een rol in de modernisering van de Hortus zelf. Onder zijn leiding werd het onderzoek professioneler en kreeg de wetenschappelijke functie van de tuin meer nadruk. Toen hij in 1910 een positie aangeboden kreeg aan de Columbia universiteit in Amerika, zorgde de burgemeester van Amsterdam ervoor dat er een nieuw laboratorium met collegezalen werd gebouwd om hem in de stad te houden. 

In 1918 ging De Vries met emeritaat, maar hij bleef tot op hoge leeftijd publiceren. Hij overleed in 1935 in Lunteren, waar hij zich had teruggetrokken. Zijn archief, plantenverzamelingen en talrijke publicaties herinneren aan een leven gewijd aan de wetenschap.

Erfgoed in de Hortus

Vandaag de dag doet veel in de Hortus denken aan Hugo de Vries. Zijn onderzoek aan de teunisbloem wordt nog steeds vermeld in rondleidingen en tentoonstellingen. De kas waarin hij werkte is verdwenen, maar het pad dat hij als wetenschapper insloeg is springlevend: experimenteren met planten, vragen stellen over hun evolutie, en het verbinden van botanisch erfgoed met wetenschappelijke innovatie.

Zijn combinatie van experimenteel onderzoek, visionaire theorieën en liefde voor planten maakt Hugo de Vries tot een sleutelfiguur in zowel de geschiedenis van de Hortus als de wetenschap. Wie vandaag tussen de planten van de Hortus wandelt, loopt in de voetsporen van een man die niet alleen planten bestudeerde, maar ook het zaad plantte van een geheel nieuw vakgebied. In de Hortus van vandaag staat een kunstwerk dat het werk van Hugo de Vries eert, omringd door planten waar hij tijdens zijn fysiologisch en genetisch onderzoek aan heeft gewerkt.